Verslag Tienernevendienst 5 juni Het gebed van de tieners

Tienernevendienst

Het gebed van de tieners

De laatste weken  hebben we met de tienernevendienst gewerkt over het boek Jona. Het verhaal is bekend. Jona zit op het schip dat in woest vaarwater terecht komt. Hij wordt door de bemanning overboord gegooid. Dan verdwijnt Jona in de diepte. Het is het donkerste, het duisterste wat hij mee kan maken. Zijn einde is nabij denkt hij. En dan is daar de redding in de vorm van een vis. Jona dankt God.

Op zondag 5 juni hebben we in de tienernevendienst samen hardop het gebed gelezen van Jona.
Daarna heeft ieder voor zich zinnen onderstreept waarin je kan lezen dat Jona bang is en het niet ziet zitten. Vervolgens hebben we met een andere kleur zinnen onderstreept waarin het gaat over hulp, over redding en nabijheid.
De kunstzinnige verwerking bestond er uit om uit iedere groep een zin te halen die jou aansprak, op een papier te schrijven en met krijt er een passende kleursfeer bij te maken. Er ontstonden prachtige compacte gebeden. Ieder heeft dit gebed voorgelezen en een korte toelichting geven waarom juist voor deze regels is gekozen. Dit waren de korte gebeden:

Ik schreeuwde om hulp.
Van u kreeg ik antwoord.

Ik leek voor altijd gevangen in het land van de dood.
Maar u Heer, trok mij levend uit het graf.
Want alleen u, Heer, brengt redding.

Ik ging naar de diepte, waar de bergen beginnen.
In uw heilige tempel hoorde u mij.

Ik leek voor altijd gevangen in het land van de dood.
Alles wat ik beloof zal ik doen.
Want alleen u, Heer, brengt redding.

Het hele gebed van Jona staat hieronder te lezen.
Jona 2: 3-10

“Toen ik bang was, riep ik naar u, Heer.
Van u kreeg ik antwoord.
Ik was bijna dood,
ik schreeuwde om hulp.
U hebt mij gehoord.

U gooide mij midden in de diepe zee.
Het water was overal.
Hoge golven rolden over me heen.
En ik dacht: u stuurt mij weg,
nooit meer zal ik uw heilige tempel zien.

Het water sloeg over mijn hoofd.
De zee was overal om me heen.
Mijn hoofd zat vast in waterplanten.
Ik ging naar de diepte,
waar de bergen beginnen.
Ik leek voor altijd gevangen
in het land van de dood.
Maar u, heer, trok mij levend uit het graf.

Toen het einde van mijn leven kwam, dacht ik weer aan u, Heer.
Ik bad tot u,
in uw heilige tempel hoorde u mij.
Veel mensen dienen waardeloze goden.
Ze verlaten de God die helpen kan.
Maar ik niet!
Ik zal u met offers danken,
en een lied voor u zingen.
Alles wat ik beloof, zal ik doen.
Want alleen u, Heer, brengt redding.”